In 1887 kocht de 26-jarige Petrus Verschure een pand aan de Amstel en begon er een rederij. Amstel 30 kijkt uit op het water van de Amstel en de Kloveniersburgwal, waar rond 1900 ook veel andere rederijen gevestigd waren. Eerder vertrokken hier de beurtschippers met hun zeilschepen naar tal van bestemmingen. Inmiddels werd met stoomboten gevaren en na de aanleg van het Centraal Station vertrokken steeds meer schepen van de IJ-kades.
Verschure, geboren in een katholiek gezin in Tilburg, had geen enkele ervaring met boten. Zijn vader was notaris, en na zijn middelbare opleiding had hij gewerkt bij familieleden, respectievelijk in een stoffenhandel en een margarinefabriek. Die fabriek was gevestigd in Rotterdam en het is waarschijnlijk dat hij daar hoorde dat de Amsterdamse rederij Kievits, die een nachtdienst onderhield met Rotterdam, te koop was.
Rederij Verschure en Co werd desondanks een succes, waarbij de focus van de jonge reder op samenwerking doorslaggevend was. Zo was zijn ‘Lemmerboot’ vanaf 1901 de schakel tussen het spoor in het westen van het land en de nieuwe tram tussen Lemmer (het knooppunt voor Noord-Nederland) en Joure. De Lemmerboot werd een begrip, in de Tweede Wereldoorlog werden Joodse kinderen hiermee naar Friesland gesmokkeld.

Een jaar nadat de Lemmerboot ging varen, in 1902, nam Verschure het initiatief tot een fusie met rederijen die in Noord-Holland, Friesland, Drenthe en Overijssel actief waren. Deze onderneming van 21 schepen werd de Verschure & Co.’s Algemeene Binnenlandsche Stoomvaartmaatschappij. De directie werd gevormd door Petrus Verschure en Jan Koppe, een ervaren investeerder en reder. De samenwerking met tram-, trein- en busmaatschappijen werd uitgebreid.
De Algemeene Binnenlandsche Stoomvaartmaatschappij werd zo een van de grootste beurtvaartrederijen in Nederland.
Scheepswerf
Het onderhoud van 21 schepen was een nieuwe uitdaging:
‘De N.V. Verschure & Co’s Algemene Binnenlandse Stoomvaart Maatschappij onder Directie van o.a. de heer P. J. M. Verschure, had toen voor het onderhoud van haar schepen in het Oosterdok een drijvende werkplaats. Dit was een oude raderboot, waarin enige werktuigmachines, een klein kantoor en een magazijnruimte waren ondergebracht. Een oude petroleummotor dreef de werktuigen aan en er waren destijds iedere morgen heel wat kunstgrepen nodig om deze motor op gang te brengen’.
In 1908 werd een eigen werf aan het Motorkanaal geopend, waar wat later ook schepen werden gebouwd: de N.V. Verschure & Co.’s Scheepswerf en Machinefabriek. Het was een conjunctuurgevoelig bedrijf, door de jaren heen varieerde het aantal werknemers sterk. In de tweede helft van de jaren dertig zorgde de levering van baggermaterieel voor de Zuiderzeewerken een tijd lang voor stabiliteit.
