FORGOT YOUR DETAILS?

Scheeptermen

A

Aak

Een aak is een groot en meestal stevenloos vaartuig voor gebruik op de binnenwateren en grote rivieren. De kenmerken van een aak zijn een platte bodem die voor en achter omhoog is gebogen en dan maar weinig smaller wordt en hoekige kimmen en boegen. Na de overgang van hout naar ijzerbouw werden de kimmen ronder en de boegen voller. Een moderne uitvoering met eigen motor is de rijnaak.

B

Berghout

Extra dikke of opgedikte gang, rondom het gehele schip, ongeveer op de hoogte waar de romp het verst, buiten de waterlijn, uitsteekt.

Boeisel

Bij stalen schepen: het gedeelte van de scheepswand boven het berghout. Bij houten schepen: meestal alleen het gedeelte van de scheepswand boven het dek. Het gedeelte tussen dek en berghout noemt men daar de scheergang. Het Nederlandse boeisel is vergelijkbaar met het Vlaamse boegsel.

Kierend Boeisel

 

Boegsel

Zie boeisel.

Broekkap

Zie Broekschoorsteen

Broekschoorsteen

Vierkante houten schoorsteen met een verbrede bovenkant waarin de giek kan rusten. Het bovenste deel van de schoorsteen wordt de broekkap genoemd.

Broekschoorsteen Spitse Praam Familietrouw.

 

H

Helmstok

Hefboom aan het roer, die door de kop van het roer gestoken is.

Helmstok paviljoentjalk

 

Hiel

Zie Loefbijter.

L

Loefbijter

Aan de onderzijde van de voorsteven, vooruitstekend deel. De term loefhouder is ouder dan loefbijter. Het laatste is mogelijk onder invloed van het Friese woord loefbîter ontstaan. Vroeger sprak men wel van bitbithout of bitstuk. In Vlaanderen spreekt men van een hiel.

Onderaan: de loefbijter.

 

S

Steven

Uiterste voor of achterkant van een schip of om nauwkeuriger te zijn het gedeelte tussen de voor- of achterboegen.

  • EEN STEILE STEVEN: een steven die bijna verticaal staat. In bijna alle gevallen is het tevens een steven die recht is.
  • EEN SCHERPE STEVEN: een steven waarbij de hoek, die de romp op de plaats van de steven maakt, minder dan 90 graden is.
  • OP STEVEN GEBOUWD: schepen, waarbij de steven balken gebruikt worden om de daarna aangebrachte gangen aan vast te hechten.
  • VERBORGEN STEVEN, BINNENLIGGENDE STEVEN, binnensteven: bij houtbouw: een steven die door de gangen, die daarop bevestigd zijn, afgedekt wordt en dus niet , behalve dan wanneer deze boven het bovenboord steekt, zichtbaar is. In normale gevallen worden de gangen in een sponning, die zich nabij de binnenwaarts gerichte kant van de steven bevindt, vastgezet. Men doet dit om te voorkomen dat het kopse hout beschadigd wordt. Bij verborgen stevens liggen de gangen tegen de zijkant van de steven aan en lopen tot aan de voorzijde van de steven toe door. Tegen deze voorzijde, die dus uit de kopse kanten van de gangen bestaat, slaat men soms een latje om beschadiging te voorkomen. Soms ook worden de kopse kanten met een strookje ijzer afgedekt. De term binnensteven, die men ook wel voor deze constructie gebruikt, kan verwarring veroorzaken.
  • AANGEZETTE, AANGEKLAMPTE, of VALSE STEVEN: een (voor)steven die geen wezenlijk onderdeel van de constructie van het vaartuig vormt. De term aangeklampt gebruikt men uitsluitend voor houten stevens. Indien een achtersteven aangezet of aangeklampt is, dan spreekt men meestal van een roersteven.

Z

Zeeg

De algemene langsscheepse lijn van een schip. Vaak: ongeveer de lijn, die het berghout volgt. Is deze niet opvallend, dan de lijn van het bovenboord. Het is gebruikelijk dat deze lijn hol staat, dus dat deze bij voor- en achtersteven hoger ligt dan daar tussen in.

  • OPLOPENDE ZEEG: zeeglijn, waarbij het voorschip duidelijk hoger is, dan bij het achterschip.
  • STERKE ZEEG: zeeg met een flink verschil tussen het laagste punt en de denkbeeldige lijn tussen de beide hoogste punten.
  • VLAKKE OF FLAUWE ZEEG: zeeg met een klein verschil tussen het laagste punt en de denkbeeldige lijn tussen de beide hoogste punten.
  • GESTREKTE ZEEG: zeeg die alleen aan voor en achtereind een duidelijk bocht toont.

Zwaarden

Willekeurig, verticaal op en neer beweegbaar, langsscheeps vlak dat tot doel heeft de drift te beperken.

Onderdelen van een zijzwaard: A: kopstuk, B: bovenschacht, C: tongstukken, D: onderschacht, E: spanningsijzer, F: ijzeren halve maan, G: ijzeren zandloper

TOP