Scheepstypes Nederlandse wateren

Lepeltakker

Lepeltakker is geen officieel scheepstype dat bijvoorbeeld gebruikt word door de Scheepsmetingdients. Jan Cornelis Lepeltak ontwierp een scheepstype met lengtes varierend van 26 tot 39 meter en over het algemeen 5,05 meter breed. Een aantal is sleepschip, de rest bestaat uit allemaal motorschepen, vergelijkbaar met spitsen en over het algemeen bij de bouw uitgerust met een Hollandia motor waarvan lepeltak vertegenwoordiger was. De schepen hadden minder zeeg dan gebruikelijk en een tamelijk lage roef en volle kop. Boven de kimgang liep een extra slijtstrip tot aan de kop toe. De stuurhutdeuren zaten geheel vooraan. Er zijn zeker 30 schepen in 1929 en 1930 gebouwd op verschillende werven verspreid over heel Nederland. Meestal gaf Lepeltak opdracht om drie schepen  tegelijk te bouwen en soms waren de schepen al verkocht voor ze te water waren gelaten. Veel van de schepen gingen naar Belgie en Frankrijk omdat de breedte afgestemd was op de kunstwerken daar. 

Opduwer

Een opduwer of opdrukker is een klein duw- en sleepbootje. Dergelijke scheepjes werden vooral in de eerste helft van de twintigste eeuw gebruikt. In die tijd begon de verbrandingsmotor zijn weg naar de binnenvaart te vinden. Opduwers werden vooral gebruikt als bijboot van tjalken en klippers. Eigenaren van grote binnenvaartschepen vonden het vaak te kostbaar om een motor in het schip te plaatsen, terwijl dat ook ten koste ging van de laadruimte. Als gemakkelijker oplossing liet men een klein duwbootje bouwen (qua grootte ongeveer gelijk aan een personenauto), dat samen met het oude vrachtschip gebruikt werd.

Opduwers werden tussen circa 1910 en 1940 gebouwd.

De eerste opduwers (circa 1910) waren gewone houten roeiboten waarin een motor ingebouwd werd. Latere opduwers werden op scheepswerven gebouwd, meestal uit materiaal dat overbleef van de bouw van grote schepen. In het begin werden zowel houten als stalen opduwers gebouwd, later alleen stalen. Opduwers waren tussen de 4,5 en 6 meter lang en 1,5 meter breed en wogen tussen de 1 en 3 ton.

Er waren zowel open opduwers als opduwers met een roefje. Bij de opduwers met het roefje kon het dak meestal gemakkelijk gedemonteerd worden om de motor te vervangen.

Niet enkel het bouwmateriaal, maar ook de motoren voor opduwers waren vaak recuperatiemateriaal, namelijk uit afgedankte auto’s, vaak samen met versnellingsbak en koeling. De lichtste van dergelijke motoren hadden een vermogen van rond de 6 pk. Hiermee kon een opduwer 7 à 10 km/u halen.

Spekbakken

Met de term spekbakken worden de ijzeren schouwtjes bedoeld die in het begin van de twintigste eeuw voor het eerst rond Lemmer werden gebouwd. Het waren simpele scheepjes; vijf platen met een rechte kop en kont. Zet er een steekmast op, hang er een paar zwaarden en een roer aan en je hebt een schouw. Na de afsluiting van de Zuiderzee werden ze wel ‘van staatswege’ aangeboden aan vissers die zich geen houten botter meer konden veroorloven. De bekendste spekbakkenhavens waren Lemmer en Hoorn, waar vanaf de jaren dertig tot zestig tientallen van die schouwtjes aan de kaden lagen. Belangrijke bouwers werden de werven van Van Goor en Hakvoort in Monnickendam, Vooruit in Enkhuizen en Amels in Makkum.

De Volendammer en Marker vissers vonden het helemaal niks en ontwikkelden toen maar hun eigen scheepstypen, de Marker rondbouw. Waar de naam spekbak vandaan komt is niet helemaal duidelijk. Er wordt geopperd dat het te maken had met het feit dat die scheepjes vaak vies en vettig waren na de visvangst. Het was in ieder geval geen erg complimenteuze naam. De overstap van stoere houten botter naar een ijzeren schouw was voor een visserman dan ook geen echte vooruitgang. Tenminste, als je het over de zeilkwaliteiten hebt. Een correspondent van de Spiegel der Zeilvaart, Obbe Deelstra, wist er in 2008 het volgende over te melden:

 

Schouwen hebben van nature iets armoedigs. Het zijn de Lada-rijders van de vereniging Botterbehoud. Ze zijn lid van de familie, maar van de arme tak. Een visserman stapte pas op een schouw als hij geen botter of aak kon betalen. Als hij geen geld had voor een fatsoenlijke boeg en achterschip en geen geld voor bemanning. Als hij te oud was geworden om het zware botterzeil te hijsen. Een schouw is van ijzer, en met koolteer en. lijnolie heeft hij het eeuwige leven. Allemaal heel praktisch, maar het blijft een Lada.

Het waren – en zijn – inderdaad super-economische scheepjes. Goedkoop te bouwen en te onderhouden en met anderhalve man te varen. Wat een verschil met houten schepen; er word wel gezegd dat degene die destijds het meest aan de visserij verdienden de werfbazen waren die het onderhoud van de botters deden. Daarom zeggen de Urkers wel eens: “Ezer is Wezer”.