FORGOT YOUR DETAILS?

Scheepsspreekwoorden en Gezegden

Op alfabet:

A.

Hij heeft zich achterbaks gehouden.
Hij deed niet openlijk mee.

Van zijn anker slaan.
Zijn geestelijk evenwicht verliezen.

Het anker achter de kat werpen.
Ophouden met werken omdat men genoeg verdiend heeft.

B.

Een kop als een boei krijgen.
Hevig blozen.

De bramzeilen bijzetten.
Alles doen wat mogelijk is om het doel te bereiken.

Bakzeil halen.
Terugkrabbelen, zijn woorden intrekken.

D.

Iemand aan de dijk zetten.
Iemand ontslaan.

Op dreef zijn.
Goed op gang zijn.

E.

Eb en vloed wachten op niemand.
Wanneer men de geboden kans niet benut, is die voorbij.

Er is eb in de handel.
Er is weinig te beleven.

F.

Hij heeft aan de fokkehals getrokken.
Hij krijgt stank voor dank.

Hij is in de fuik gelopen.
Hij zit in de val.

G.

Een glaasje op de valreep.
Een borrel ten afscheid.

Als het getij verloopt moet men de bakens verzetten.
Wanneer de omstandigheden veranderen, moet je andere maatregelen nemen.

H.

De haring over de kop varen.
Door te groot enthousiasme zijn doel missen.

De ene staat aan de helmstok, de ander aan de boeg.
Ieder heeft zijn eigen taak.

K.

Men moet altijd zijn kluisgaten openhouden.
Men moet oppassen voor smoesjes van onbetrouwbare personen.

Tussen kaai en schip raken.
Ongemerkt verdwijnen/ tussen twee vuren zitten.

L.

Hij ligt in de lij.
Zijn zaken gaan slecht.

Iemand de loef afsteken.
Iemand overtreffen.

M.

Een man over boord, een eter minder.
Aan elk nadeel kleeft ook wel een voordeel.

Van zijn mast een schoenpin maken.
Iets goed bederven om een kleinigheid.

N.

Met de nachtschuit komen.
Laat komen / oud nieuws vertellen.

Die nood heeft, moet pompen.
Wie het moeilijk heeft moet werken om er bovenop te komen.

O.

Een zaak opdoeken.
Een zaak opheffen.

Een oogje in het zeil houden.
Iets of iemand in de gaten houden.

P.

Dat staat als een paal boven water.
Dat staat vast.

Iemand in de peiling hebben.
Iemand in de gaten hebben.

R.

Men moet wel eens een reefje inbinden.
Men moet wel eens iets toegeven.

Er is ruimschoots genoeg.
Er is overvloed.

S.

Een schot voor de boeg.
Een waarschuwing.

Men moet kunnen splitsen en knopen.
Men moet zuinig kunnen zijn.

Die geen schuitje heeft, moet in zijn hoedje varen.
Je moet roeien met de riemen die je hebt.

T.

Hij takelt af.
Zijn gezondheid wordt minder.

Dat is tuig van de richel.
Dat is laag volk.

Hij steekt raar in het tuig.
Hij is merkwaardig gekleed.

V.

In iemands vaarwater zitten.
Iemand hinderen.

Een vrouwenhaar trekt meer dan een mastzeil.
De invloed van een vrouw op een man mag niet worden onderschat.

W.

De wal keert het schip.
De omstandigheden verhinderen dat een bepaalde handeling wordt voortgezet.

Hij heeft geen want naar het schip.
Zijn vrouw past absoluut niet bij hem.

Z.

Prijs de zee maar blijf aan wal.
Wees voorzichtig.

Onder een staand zeil is het goed roeien.
Als je al een behoorlijk inkomen hebt, kun je dankzij wat extra klusjes helemaal in een financiële euforie raken.

Zeemanschap gebruiken.
Doortastend beleid tonen.

 

Uit:

Lexicon van de watersport, visserij, koopvaardij, marine en bruine vloot.
Jaap van der Wijk
Uitgeverij Balans, 1996

TOP